In de media: “Huurbescherming”: column Autoplus winter editie

Autoplus column Huurbescherming

Tjerk schreef in een column in Autoplus Magazine over het belang van een schriftelijk contract. Lees het artikel hieronder.

Niet elke ondernemer kiest er voor zijn bedrijfspand te kopen. Huren is immers een goed alternatief. Veelal is het zelfs zo dat, met name startende, ondernemers ook niet anders kunnen dan een bedrijfspand huren. Als eigenaar ben je heer en meester over je eigen pand. Hoe zit dat als je huurder bent? Ben je dan volledig overgeleverd aan de wil van je verhuurder? Of heb je ook bepaalde bescherming?

Op basis van de Nederlandse huurwetgeving heeft een huurder altijd bepaalde bescherming. Hoever die bescherming bij huur van bedrijfspanden gaat is afhankelijk van het ‘huurregime’ dat van toepassing is. In Nederland zijn er voor bedrijfspanden namelijk twee huurregimes. Het huurregime voor de zogenaamde ‘artikel 7:290 BW bedrijfsruimte’ en de ‘overige bedrijfsruimte’, genoemd in artikel 7:230a van ons Burgerlijk Wetboek.

Voordat bepaald kan worden hoeveel bescherming je als huurder hebt, moet je eerst beoordelen onder welke van deze twee huurregimes jouw bedrijfspand valt. In de autobranche zal dat veelal gaan om de artikel 7:290 BW bedrijfsruimte. Daarvoor is namelijk vereist dat er verkoopactiviteiten plaatsvinden of bijvoorbeeld sprake is van een ambachtsbedrijf. In de autobranche is daar vaak sprake van. Denk aan de verkoop van auto’s en de reparatie ervan. Dat geldt ook voor de verkoop van onderdelen en deelreparaties en bijvoorbeeld schadeherstel als het schadebedrijf ook door haar klanten bezocht kan worden.

Voor de artikel 7:290 BW bedrijfsruimte geldt dat de huurder huurbescherming heeft. Die huurbescherming houdt in dat er sprake is van huurprijsbescherming en ook ontruimingsbescherming. Zo kan de huurprijs door de verhuurder niet zomaar worden aangepast. Daartoe is in de wet een speciale regeling opgenomen. In grote lijnen komt het er op neer dat de verhuurder, maar ook de huurder, de rechter kan vragen om de huurprijs aan te passen. Op die manier kan de huurprijs in overeenstemming worden gebracht met huurprijzen van vergelijkbare panden. Het is echter niet zo dat de huurder is overgeleverd aan de verhuurder. Voor de verhuurder geldt, dat hij ook niet tot in het einde der dagen gebonden hoeft te zijn aan een ‘te’ lage huurprijs.

Ontruimingsbescherming houdt in dat de verhuurder de huurovereenkomst niet zomaar kan beëindigen wanneer het de verhuurder uitkomt. Wanneer de huurder zijn verplichtingen correct nakomt en de verhuurder de huurovereenkomst desondanks wil beëindigen, zal hij de huurovereenkomst moeten ‘opzeggen’. Veelal is in het huurcontract een termijn daarvoor opgenomen. Het is echter niet zo dat het enkel in acht nemen van die opzegtermijn voldoende is. In de wet is namelijk bepaald dat de verhuurder een limitatief aantal opgesomde ‘opzeggingsgronden’ in acht mag nemen. Bij de opzegging moet dat ook worden toegelicht. Op de manier is de mogelijkheid om een huurovereenkomst op te zeggen dus behoorlijk ingeperkt en dat leidt dus weer tot bescherming van de huurder.

Daarnaast geldt dat een huurovereenkomst van artikel 7:290 bedrijfsruimte altijd vijf jaar of langer duurt en daarna, behoudens tussentijdse opzegging, van rechtswege met vijf jaar wordt verlengd. De gedachte erachter is dat een ondernemer wel de tijd en mogelijkheid moet hebben een locatie gebonden bedrijf op te kunnen starten. Een belangrijke uitzondering op deze regel bestaat voor huurcontracten van twee jaar of korter. Als zo’n contract afloopt, eindigt de huurovereenkomst.

Wanneer de huurder het met beëindiging van de huurovereenkomst eens is, kan de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden worden beëindigd. Stemt de huurder daar niet mee in, maar komt hij zijn verplichtingen niet correct na, dan zou de verhuurder nog kunnen proberen de huurovereenkomst te laten ontbinden. Ook hier neemt de huurovereenkomst een speciale positie in in het rechtssysteem. Waar de meeste andere overeenkomsten door middel van een buitengerechtelijke verklaring ontbonden kunnen worden, geldt voor de huurovereenkomst van “gebouwde onroerende zaken”, waaronder dus bedrijfsruimte, dat de rechter die ontbinding moet uitspreken. Ook dat leidt er toe dat de rechter daar dus iets van moet vinden en de huurder op die manier dus wordt beschermd.

Zoals gezegd, zijn er dus twee regimes. Het andere regimes, van de ‘overige bedrijfsruimte’, biedt de huurder minder bescherming. Daar heeft de huurder geen huurprijsbescherming. Het is echter niet zo dat de verhuurder dan maar lukraak de huurprijs kan verhogen wanneer daarover niks in de huurovereenkomst is geregeld.

Waar dit huurregime wel enige bescherming biedt, is bij beëindiging van de huurovereenkomst. Op basis van dit huurregime heeft de huurder geen ‘huurbescherming’, maar de zogenaamde ‘ontruimingsbescherming’ is hier van toepassing. Dit houdt in dat de huurder aan de rechter een extra termijn kan vragen om nog in het pand te kunnen blijven zitten, nadat de verhuurder de huurovereenkomst heeft opgezegd. In dat geval zal de huurovereenkomst wel zeker eindigen, maar kan de huurder de rechter vragen om aan hem een termijn te bieden om nog wat langer in het gehuurde te blijven zitten en zodoende om zich heen te kunnen kijken voor een andere bedrijfsruimte. Zodoende komt de huurder niet van de ene op de andere dag op straat te staan. Zo’n verlenging kan drie keer plaatsvinden en dan met termijnen van maximaal één jaar. In de praktijk komt het echter niet vaak voor dat een huurder dan langer dan een jaar mag blijven zitten. Dit regime biedt dus wel enige bescherming, maar wel beduidend minder dan de bescherming die het regime van de artikel 7:290 BW bedrijfsruimte biedt.

Concluderende, zijn er best veel ondernemers die geen ‘eigen’ bedrijfspand hebben, maar zijn aangewezen op een huurpand. Op zich is daar niks mis mee, zij het dat je wel afhankelijk bent van je verhuurder. Daar heeft de wetgever rekening mee gehouden en dus een bepaalde mate van bescherming geboden in de wet. Zoals uitgelegd, zal het in de autobranche vaak gaan om huurruimte die valt onder het artikel 7:290 BW bedrijfsruimte regime, dat meer bescherming biedt dan het andere huurregime voor de ‘overige bedrijfsruimte’. In beide gevallen kan de verhuurder de huurder echter niet van de ene op de andere dag het pand uit zetten. Doordat dat dus niet de gang van zaken zal zijn, is er altijd de gelegenheid uit te kijken naar een ander geschikt pand.